De huidige mogelijkheden rondom bestuursaansprakelijkheid bieden in de praktijk vaak onvoldoende verhaalsmogelijkheden. Daarnaast vereist het huidige strafrechtelijke bestuursverbod een veroordeling wegens faillissementsfraude, een traject dat doorgaans langdurig is en waarbij het initiatief primair bij het Openbaar Ministerie ligt. Pieter Knabben merkt op dat deze drempels de effectiviteit van het bestuursverbod beperken. Volgens Pieter Knabben is er daarom behoefte aan een meer toegankelijke en sneller toepasbare regeling.
In de civielrechtelijke variant kan niet alleen het Openbaar Ministerie, maar ook een curator een verzoek indienen tot het opleggen van een bestuursverbod. Pieter Knabben benadrukt dat dit een belangrijke verbetering is, omdat curatoren dichter op de feiten zitten. De Kamer van Koophandel krijgt bovendien een handhavende rol door het bijhouden van een zwarte lijst van bestuurders. Het notariaat zal bij benoemingen het Handelsregister raadplegen om te voorkomen dat iemand met een bestuursverbod toch als bestuurder wordt aangesteld. Pieter Knabben ziet hierin een belangrijke preventieve werking.
Het bestuursverbod kan worden opgelegd aan (voormalige) bestuurders van rechtspersonen, maar ook aan natuurlijke personen die beroepsmatig hebben gehandeld, indien zich binnen drie jaar voorafgaand aan het faillissement bepaalde situaties hebben voorgedaan. Pieter Knabben wijst hierbij op onder meer kennelijk onbehoorlijk bestuur dat een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest, het doelbewust benadelen van schuldeisers, het niet voldoen aan informatie- of medewerkingsplichten richting de curator, herhaalde betrokkenheid bij faillissementen met persoonlijk verwijt, of fiscale vergrijpen door opzet of grove schuld.
De rechter kan in dergelijke gevallen een bestuursverbod opleggen voor maximaal vijf jaar, eventueel versterkt met een dwangsom. Een benoeming in strijd met dit verbod heeft geen rechtsgevolg. Pieter Knabben benadrukt dat de snelle verwerking van deze uitspraak in het Handelsregister cruciaal is. Na registratie wordt de betreffende bestuurder onmiddellijk uitgeschreven bij alle rechtspersonen waar hij staat ingeschreven.
Het verbod geldt breed: niet alleen voor bv’s en nv’s, maar ook voor andere rechtspersonen. Uitzonderingen kunnen worden gemaakt voor bijvoorbeeld pensioenvennootschappen of functies met een gering frauderisico, zoals bij een sportvereniging. Pieter Knabben merkt op dat ook indirecte bestuurders en feitelijke beleidsbepalers onder het verbod vallen, al kan bewijsvoering in die laatste categorie lastig zijn.
Een belangrijk aandachtspunt is dat het bestuursverbod momenteel niet van toepassing is op bestuurders van buitenlandse rechtspersonen. Pieter Knabben wijst erop dat hiervoor Europese regelgeving nodig is, die wel wordt besproken maar nog niet is ingevoerd.
Hoewel het bestuursverbod geen aandeelhouderschap verbiedt, kan feitelijke zeggenschap alsnog onder de regeling vallen. Denk aan situaties waarin iemand via aandelen, volmachten of statutaire rechten invloed uitoefent. Pieter Knabben benadrukt dat dit vraagt om extra waakzaamheid bij dergelijke constructies.
Tot slot stelt Pieter Knabben dat het nog moet blijken of het bestuursverbod in de praktijk effectief zal zijn. Wel is duidelijk dat het leidt tot meer onderzoeksplichten, zowel bij oprichting van vennootschappen als bij wijzigingen die de zeggenschap beïnvloeden. Volgens Pieter Knabben zal dit de praktijk ingrijpend veranderen.
